Nieuwe wet op continuïteit van de ondernemingen.
Op 12 juli 2006 werd het wetsontwerp betreffende de continuïteit van de ondernemingen voorgesteld. Het betreft een hervorming van het gerechtelijk akkoord dat niet de verhoopte resultaten heeft opgeleverd: er zijn nooit veel akkoordprocedures gekomen en het aantal faillissementen bleef pieken, vooral in de typische KMO-sectoren zoals de horeca, handel en bouw.
De voornaamste maatregelen van het wetsontwerp worden hierna kort besproken.
In de eerste plaats wenste men te breken met het negatieve imago van het gerechtelijk akkoord, dat maar al te vaak als wachtkamer van het faillissement werd gezien. Vandaar de nadruk op het positieve aspect van het herstel, de 'wet op de continuïteit van de ondernemingen'. De akkoordprocedure wordt voortaan 'procedure van gerechtelijke reorganisatie' genoemd.
Er wordt een nieuw personage ingevoerd: de ondernemingsbemiddelaar. In de fase van het handelsonderzoek kan de rechter, op verzoek van de schuldenaar, een ondernemingsbemiddelaar aanstellen. Zijn opdracht wordt door de rechter bepaald binnen de grenzen van het verzoek van de schuldenaar. Bedoeling is een neutraal en degelijk tussenpersoon te vinden die zowel de schuldeiser als de schuldenaar de mogelijke oplossingen laat ontdekken.
Het ontwerp bevordert het sluiten van een minnelijk akkoord met (sommige) schuldeisers. De inhoud wordt vrij bepaald en bindt derden niet, en kan zowel in een preprocedureel stadium als in het kader van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie worden gesloten. Via een aantal garanties wenst men te voorkomen dat de toestand van een schuldeiser wordt verbeterd of versterkt ten nadele van andere schuldeisers. Een minnelijk akkoord mag alleen dan worden gesloten wanneer men de gezondmaking of reorganisatie van de onderneming beoogt.
Win op de procedure tegen de fiscus
De Administratie van de Ondernemings- en de Inkomensfiscaliteit, de zgn. AOIF, voert in principe de grondige fiscale controles uit. Zij kan zowel onderzoek naar BTW als directe belastingen doen maar moet zich wel houden aan de specifieke onderzoeksmethoden eigen aan de betreffende belastingtak om onderzoeksdaden in het kader van een bepaalde belasting te stellen.
Het is dus verboden dat aan een BTW-plichtige een BTW-boete wordt opgelegd wegens inbreuken op de BTW-wetgeving wanneer men aan de informatie is geraakt op grond van een vraag om inlichtingen, gesteund op een wetsartikel uit de inkomstenbelastingen. De BTW-wetgeving heeft hier immers haar eigen wetsartikelen voor ter beschikking.
Aftrekbaarheid van naamloze vermeldingen en erelidmaatschap van de plaatselijke vereniging.
Het is algemeen bekend dat vele verenigingen slechts het hoofd boven water houden door de gulle bijdragen van de plaatselijke middenstand. Regelmatig gaat het om naamloze vermeldingen 'uit sympathie' of erelidmaatschappen die commercieel niet veel opleveren.
Om de betaalde bedragen fiscaal als beroepskost te kunnen beschouwen, is er enige vorm van reclame door de vereniging vereist (vermelding op kalender, onderleggers eetfeest, programmaboekje,…). Een vermelding 'uit sympathie' volstaat dus niet.