PERSBERICHT
DE ARBEIDSRECHTBANK

Zoals iedereen weet werd de Arbeidsrechtbank opgericht om te oordelen in geschillen tussen werkgevers en werknemers en in geschillen met betrekking tot de sociale verplichtingen van zelfstandigen.

Het is normaal dat sociale raadgevers hetzij werkgevers, arbeiders, bedienden of zelfstandigen, de beroepsmagistraten helpen om de problemen die hen worden voorgelegd, beter te begrijpen.

Afhankelijk van de geschillen zijn deze sociale raadgevers :
In werkelijkheid gaat het er heel anders toe, als gevolg van een constante en onophoudelijke stroom nieuwe wetgevingen.
De sociale raadgevers zijn bijna allen kaderleden van vakbonden of beroepsorganisaties. Vandaar overigens de ontzagwekkende opzegvergoedingen die de kaderleden zich toekennen via tussenpersonen, zoals een voornaam magistraat al in 1985 vaststelde. Hij voegde er ook aan toe dat, zodra een minieme barst werd vastgesteld in de wetgeving ter bescherming van de arbeiders, bedienden of kaderleden, de wetgever zich haastte om die te dichten, maar dat de gapende kloven in de wetgeving die de werkgever moest beschermen tegen kwade trouw, diefstal of sabotage, nooit hersteld werden. Onder de zowat vijftig zogenaamde werkgeversvertegenwoordigers die hij kende, waren 46 kaderleden en zelfs bedienden.
Zo verontschuldigde zich overigens de Voorzitster van de Arbeidsrechtbank van Brussel ervoor dat de zaken die aan haar rechtscollege worden toevertrouwd, zo talrijk en ingewikkeld zijn, dat het volstrekt normaal is volledig foute vonnissen te moeten ondergaan.

De enige methode om de arbeidsrechtbanken opnieuw op wettelijke wijze te laten functioneren, met een echte werkgeversvertegenwoordiging, is ze voor te behouden voor de volgende geschillen :
  1. Voor de ondernemingen
    • Geschillen betreffende arbeidsovereenkomsten, met inbegrip van geschillen die betrekking hebben op schending van het productiegeheim, gepleegd tijdens de duur van deze overeenkomsten;
    • Geschillende betreffende leerovereenkomsten;
    • Individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten;
    • Geschillen die zijn ontstaan tussen werknemers onderling naar aanleiding van het werk;
    • Geschillen betreffende de overeenkomst van versnelde beroepsopleiding;
    • Geschillen tussen personen die gezamenlijk een beroep uitoefenen dat voornamelijk uit handenarbeid bestaat, en met name tussen een werkgever-visser en de leden van zijn bemanning met wie hij vennoot is;
    • Burgerrechtelijke geschillen die voortvloeien uit een inbreuk op de wetten en besluiten betreffende de arbeidsreglementering en op de materies die tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsrechtbank, zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de wettelijke bepalingen die deze bevoegdheid toekennen aan de strafrechters wanneer zij behandeld worden in een strafvordering;
    • Geschillen gebaseerd op Titel V (betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep) van de wet tot economische heroriëntering en op de uitvoeringsbesluiten hiervan, met uitzondering van de geschillen beoogd in artikel 581, 3°, en geschillen met betrekking tot de toegang tot het beroepsonderwijs verstrekt door het openbaar onderwijs of het privé-onderwijs;
    • Geschillen betreffende de rechten en plichten van werknemers en leerlingen en hun rechthebbenden die voortvloeien uit de wetten en reglementen;
    • Geschillen betreffende de inrichting en de werking van de ondernemingsraden;
    • Geschillen betreffende de inrichting en de werking van de diensten en comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, met inbegrip van de diensten en comités ingevoerd in de mijnen, open mijnen en steengroeves;
    • Geschillen betreffende de wet van 25 januari 1985 tot invoering van een kaart voor sociale zekerheid.
    • De stelsels voor werknemersparticipatie.

  2. Voor de zelfstandigen
    • Geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en reglementen inzake het sociale statuut, de gezinsbijslagen, de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en de rust- en overlevingsuitkeringen ten gunste van de zelfstandigen;
    • Geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit deze wetten en reglementen;
    • Geschillen betreffende de verplichting voor vennootschappen een bijdrage te betalen die is bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen.

  3. In dringende gevallen
    • De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet een voorlopige uitspraak in de gevallen waarvan hij de hoogdringendheid erkent, in alle materies, behalve diegene die de wet aan de rechterlijke macht zou onttrekken. De voorzitter van de arbeidsrechtbank kan een voorlopige uitspraak doen in de gevallen waarvan hij de hoogdringendheid erkent, in de materies waarvoor hij bevoegd is.
    • De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de voorzitter in kort geding of, in geval van volstrekte noodzaak, via verzoekschrift.


Voor alle andere geschillen zijn louter gespecialiseerde rechters van 1ste aanleg vereist, maar dit is een zeer groot aantal geschillen :
De magistraat die we eerder citeerden, zag zijn rechtsgevoel grondig gekwetst worden door bepaalde vonnissen die hij uit respect voor de wet verplicht was uit te spreken, zoals de toekenning van opzegvergoedingen voor niet-gepresteerde dagen. Door een opzegvergoeding toe te kennen, heeft de wetgever elkeen in staat willen stellen om, binnen de mate van zijn middelen en mogelijkheden, nieuw werk te vinden door hem tijd te geven om te zoeken. In de loop der jaren is deze doelstelling volledig vergeten geraakt, ten nadele van de ondernemingen. De formaliteiten werden ingewikkelder gemaakt, uitsluitend ten laste van de ondernemingen, en wanneer de werkgever de formaliteiten niet naleeft, is de vergoeding nietig en moet ze een tweede maal betaald worden, zonder aanspraak te kunnen maken op tegenprestaties. Het moet gezegd dat zelfs de eerste maal de tegenprestaties volstrekt onzeker zijn, zeker vanwege de arbeiders. Heel wat kaderleden organiseren zich om opzegtermijnen en -vergoedingen te bekomen, terwijl de werkgevers in ieder geval veroordeeld worden.

Er zijn slechts zo'n 40.000 werkgevers van KMO's die arbeiders en bedienden tewerkstellen in België. Er kan van hen niet verwacht worden dat ze overal zijn terwijl zij een uitermate belangrijke rol te vervullen hebben voor de economie van het land, maar daarom hoeven ze nog niet uitgesloten te worden uit de zaken die hen aanbelangen, met alle negatieve gevolgen die dit meebrengt

26 februari 2002
Jean SOLÉ